Egyptische goden

Het rijke Egypte leefde van de jaarlijkse overstromingen van de Nijl. Dat overstromen bracht water naar de vruchtbare akkers langs de rivier. Zo vruchtbaar waren die gronden dat er vaak twee keer per jaar geoogst kon worden. Daardoor was er meer voedsel dan dat de mensen nodig hadden en dat voedseloverschot kon voor goed geld verkocht worden aan andere landen, bijvoorbeeld aan het Romeinse rijk.

Over een periode van 4000 jaar ontstond een enorme wirwar van goden. Men zag overal het goddelijke in. Dus niet zoals in omliggende culturen een bovenwereld met één of meerdere personages maar het bovenmenselijke was overal en altijd. Een natuurgodsdienst dus. De zon, de nijl, een krokodil, een aap, de farao. Alles was een god. Het was ook nog eens een groot land dus lokale verschillen konden groot zijn. Wat geen enkel probleem was. Afbeeldingen van goden waren dan ook vaak een combinatie van menselijke en bijvoorbeeld dierlijke trekjes. Hierboven de god Horus, menselijk lichaam met de kop van een valk.

De leider van de Egyptenaren werd de farao genoemd. Ook zo’n farao werd vergoddelijkt. Enorme tempels werden gebouw om het goddelijke te kunnen vereren. Priesters zorgen voor de juiste rituelen.

Tempel van Luxor met obelisk (wikipedia)

Natuurlijk wil niemand dat het allemaal ophoudt als je dood gaat. De gewone Egyptenaar had geen keus maar bijvoorbeeld de rijke farao’s wel. Die geloofden in een hiernamaals. En om daarvan te kunnen genieten had je nogal wat nodig. Eten, drinken, een lichaam en het nodige goud om een beetje in luxe verder te kunnen gaan. Zij lieten hun lichamen conserveren door ze te mummificeren. En bouwden enorme grafcomplexen boven- en ondergronds om zichzelf en hun spulletjes veilig te houden van grafrovers. Dat hielp uiteindelijk over het algemeen niet..